Home / Onderzoek 2025 / Onderzoekslocaties
In 2025 richt het onderzoek zich op verschillende locaties op en rond Terschelling. In het gehucht Hee wordt voor het eerst archeologisch veldonderzoek uitgevoerd en ook het dorp Lies met de middeleeuwse stinswier De Worf wordt onderzocht. Voor de Stins van Oosterend vindt aanvullend bureauonderzoek plaats. Daarnaast wordt de zeebodem tussen Vlieland en Terschelling onderzocht, op zoek naar mogelijke scheepswrakken uit 1666.
Over het gehucht Hee op Terschelling is tot nu toe weinig informatie bekend uit historische bronnen. Ook is er nog nooit archeologisch onderzoek uitgevoerd. In 2025 verandert dat: dan starten we voor het eerst met boringen en profielputjes om meer te weten te komen over de bewoningsgeschiedenis van dit gehucht.
Wat we wel weten, is gebaseerd op een beperkt aantal historische gegevens en verkavelingspatronen. Op basis van verkavelingen van vóór de ruilverkaveling lijkt het erop dat Hee mogelijk is ontstaan in de late middeleeuwen. In 1567 werden er vijf huizen genoemd, ongeveer veertig jaar later vier. In 1680 worden zes huizen genoemd. In 1737 was het gehucht nog van zodanig formaat dat het werd ingedijkt bij een geplande dijkinlating voor de vervallen wierdijk.
Ten noorden en ten zuidwesten van Hee zijn opvallende blokverkavelingen zichtbaar. Die zouden kunnen wijzen op verdwenen bewoningskernen. Een noordelijk cluster – voorlopig aangeduid als Hee Noord – ligt vermoedelijk op hetzelfde middeleeuwse eiland als het verdwenen Horp. Omdat dit gebied dicht tegen de duinen aanligt, zijn eventuele hoogteverschillen in het landschap lastig te herkennen.
Van Hee Zuid is op dit moment niet meer bekend dan dat hier een opmerkelijke verkaveling aanwezig was, die mogelijk op een verdwenen bewoningskern duidt. Op het Actueel Hoogtebestand Nederland is ter plaatse van Hee Zuid een verhoging zichtbaar.
Meer informatie en afbeeldingen over Hee en de omgeving zijn te vinden in het bureauonderzoek dat in 2023 is geschreven over de Westkant van Terschelling. Dit rapport is beschikbaar via de website van CARE Schylge, onder publicaties in de kennisbank.
Het aankomende onderzoek moet meer inzicht geven in de geschiedenis en ontwikkeling van dit gehucht. Hoewel we er nu nog weinig over weten, kan de bodem ons hopelijk meer vertellen.
In het dorp Lies op Terschelling ligt een archeologisch rijksmonument met een vermoedelijke bijzondere middeleeuwse oorsprong: De Worf. Deze stinswier – een kunstmatige heuvel met ooit een houten of stenen woontoren (stins) – stamt waarschijnlijk uit de tweede helft van de 13de eeuw. Hoewel er in Lies nog nooit een archeologische opgraving is uitgevoerd, zijn op basis van bureauonderzoek en historische bronnen enkele aannames mogelijk over de ouderdom en functie van deze plek.
De Worf werd opgeworpen met de grond uit een omliggende gracht. De mogelijke toren die erop stond, werd vermoedelijk rond 1500 weer afgebroken. Net als elders op Terschelling werd het bouwmateriaal, zoals kloostermoppen waarschijnlijk zorgvuldig hergebruikt in andere gebouwen. Van de toren zelf resteert dan ook vermoedelijk weinig. Mogelijk zijn er nog sporen in de vorm van uitbraaksleuven of losse fragmenten zoals kloostermoppen, delen van het dak en of muurankers, met name in de gracht. In het midden van de wier zou zich nog een waterput kunnen bevinden, die bij gravend onderzoek onderzocht zou kunnen worden.
Naast de wier heeft waarschijnlijk ook een omgrachte boerderij gestaan. Hoe deze eruitzag of hoelang deze nog heeft bestaan is onduidelijk. Over middeleeuwse boerderijen op Terschelling is weinig bekend. De Worf is in later eeuwen wellicht opnieuw gebruikt: tijdens de Tweede Wereldoorlog was het terrein naar verluidt in gebruik als schuttersput en/of schietbaan. Valse scherfmaterialen zouden zelfs met opzet in de heuvel zijn aangebracht door de bewoners van Lies om de Duitsers te sarren.
In 2025 wordt het dorp Lies uitvoerig archeologisch onderzocht. Daarbij worden verspreid door het hele dorp (bijv. bij de oude boerderij genaamd Admir) boringen gezet en profielputjes gegraven. Op De Worf zelf worden boringen uitgevoerd op het hoogste gedeelte van de wier, en ook in de gracht worden kleine putten gegraven om de opbouw en mogelijke resten te documenteren. Dit onderzoek wordt in samenwerking met de Rijkdienst voor het Cultureel Erfgoed verricht. Ook op het terrein rondom De Worf vinden boringen en profielputten plaats, om het bredere landschap en eventuele sporen van bebouwing of verkaveling beter te begrijpen.
Hoewel het terrein van De Worf mogelijk deels is verstoord, liggen er nog veel mogelijkheden voor toekomstig onderzoek. In komende jaren zou meer veldonderzoek kunnen worden overwogen. Hierbij kan gedacht worden aan modern non-destructief onderzoek zoals LiDAR of geofysisch onderzoek. Zo kan het terrein en de directe omgeving beter in kaart worden gebracht. Ook gedegen proefsleuvenonderzoek kan helpen om inzicht te krijgen in de opbouw van de wier en de ouderdom van de resten.
De Worf is een monument dat niet alleen archeologisch, maar ook historisch interessant is. Mogelijk zijn er verbanden met de familie Popma, maar dat is nog niet met zekerheid vastgesteld. Hernieuwd historisch onderzoek – bijvoorbeeld in de archieven van de Graven van Holland – kan meer duidelijkheid geven over de middeleeuwse bewoning van Lies en Oost-Terschelling.
Het volledige bureauonderzoek uit 2025 is te vinden via de website van CARE Schylge, onder publicaties in de kennisbank.
In het dorp Oosterend op Terschelling ligt een bijzondere historische locatie: de Stins of Popmastins. Over deze plek is tot nu toe nog relatief weinig bekend, mede doordat er nog nooit een (vlakdekkende) archeologische opgraving is uitgevoerd. Wel zijn in het verleden enkele archeologische onderzoeken verricht, waaronder booronderzoeken en geofysisch onderzoek. Historisch gezien is er informatie bekend over bijvoorbeeld de invloedrijke familie Popma, maar veel vragen blijven nog onbeantwoord.
Op basis van paleogeografische reconstructies lijkt het gebied van Oosterend al vanaf de vroege Middeleeuwen bewoonbaar te zijn geweest. Vaststaat dat in de tweede helft van de 13de eeuw binnen het huidige plangebied een stinswier is aangelegd: een kunstmatig opgeworpen woonheuvel, omringd door een gracht, waarop een stenen woontoren (stins) werd gebouwd.
Van deze toren zijn waarschijnlijk geen funderingen meer bewaard gebleven, door sloop en verstoringen in de eeuwen daarna. Wel kunnen in de gedempte gracht nog resten liggen, zoals kloostermoppen, muurankers of dakbedekking. Ook resten van een ophaalbrug zijn niet uitgesloten. Mogelijk ligt er in het centrum van de heuvel nog een waterput, die dieper reikt dan eerdere verstoringen. Bouwmateriaal werd op Terschelling vaak hergebruikt in andere gebouwen, wat verklaart waarom losse vondsten vaak elders opduiken.
Naast de stinswier lag waarschijnlijk een omgrachte boerderij, maar over de vorm en het gebruik ervan is weinig bekend. Laatmiddeleeuwse boerderijen zijn in Friesland weinig onderzocht en op Terschelling is daarover vrijwel niets bekend. Na de sloop is het terrein waarschijnlijk meermaals doorzocht op bruikbaar materiaal en als stortplaats gebruikt.
Zoals veel archeologische vindplaatsen is ook het gebied van de stins sterk veranderd door ruilverkaveling, want hierbij is de oorspronkelijke verkaveling en het bodemreliëf verdwenen. Hoewel op de locatie nog steeds een bult te zien is, is het terrein deels verstoord. Daarom biedt ook de omgeving van het monument nog veel potentie voor toekomstig onderzoek.
In 2025 houden we het voorlopig bij bureauonderzoek. In de toekomst zouden non-destructieve onderzoeksmethoden zoals LiDAR en moderne geofysische technieken (die sinds 2008 sterk zijn verbeterd) kunnen helpen om meer inzicht te krijgen in de stinswier en het dorp Oosterend. Ook uitbreiding van een booronderzoek of het aanleggen van profielputten zou de bodemopbouw en het verleden van deze plek beter kunnen onthullen. Gravend onderzoek, zoals een proefsleuf door de gracht, zou zelfs wellicht kunnen helpen om de bouw- en sloopfasen van de stins nauwkeuriger te dateren.
Meer informatie en afbeeldingen zijn te vinden in het bureauonderzoek over De Stins in Oosterend uit 2025, beschikbaar via de website van CARE Schylge onder publicaties in de kennisbank.
In het kader van het project CARE Schylge wordt dit jaar delen van de zeebodem tussen Vlieland en Terschelling onderzocht. Dit gebeurt met behulp van sonar- en multibeam-apparatuur, bevestigd onder een meetvaartuig, de grote survey boot. Doel is het opsporen van mogelijke sporen van historische scheepswrakken van de koopvaardijvloot die in 1666 ten onder ging tijdens de aanval van de Engelse vloot onder leiding van Robert Holmes en de Vliereede(n).
Het onderzoek richt zich onder andere op de westelijke rand van de huidige Vliestroom, waar de betreffende vloot vermoedelijk voor anker lag. Ook andere delen van het onderzoeksgebied worden in kaart gebracht, waaronder zones die eerder niet met geofysische methoden zoals sonar of multibeam zijn onderzocht. Er wordt speciale aandacht besteed aan zones met een mobiele sedimentlaag van maximaal één meter dikte, waar scheepsresten zich mogelijk aan of vlak onder het bodemoppervlak bevinden. In andere delen kunnen wrakresten dieper liggen, afgedekt door sediment, wat invloed heeft op zowel vindbaarheid als conservering.
Het onderzoek wordt in opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uitgevoerd door Periplus ArcheoMare, in samenwerking met DEEP, duikvereniging Ecuador en de Zeevaartschool Terschelling, binnen het samenwerkingsverband CARE Schylge. Het sluit aan op het door Periplus opgestelde bureauonderzoek waarin historische kaarten, archieven en eerdere vondstmeldingen zijn samengebracht. Het volledige bureauonderzoek uit 2025 is te vinden via de website van CARE Schylge, onder publicaties in de kennisbank.
Blijf op de hoogte van het laatste nieuws en de activiteiten.