Deze masterscriptie van Benthe onderzoekt de opgraving van het kerkhof bij Striep (Midsland, Terschelling), uitgevoerd tussen 1966 en 1970 door het Fries Museum en het Biologisch-Archeologisch Instituut. Tijdens de opgraving werden resten gevonden van een houten kerk uit ca. 850 en een latere stenen kerk die in 1569 werd verwoest. Het kerkhof bleef in gebruik tot 1916, maar het menselijk skeletmateriaal is tot op heden nauwelijks onderzocht.
In dit onderzoek zijn de resten van ongeveer 50 individuen bestudeerd, met leeftijden variërend van zuigelingen tot ouderen. Er werden verschillende aandoeningen vastgesteld, waaronder artrose (41%), syfilis, tuberculose, DISH, rachitis, botbreuken, oorinfecties en aangeboren afwijkingen. Gebitsanalyse toonde ernstige slijtage, vermoedelijk veroorzaakt door zand in het voedsel. De afwezigheid van tandsteen bevestigt dit, wat een verschil laat zien met bewoners van het vasteland met kleigrond.
Het onderzoek wijst op een gemeenschap waar zorg centraal stond. Zo overleefden sommige individuen ernstige ziekten of botbreuken, wat wijst op sociale ondersteuning. Door het ontbreken van voldoende grafcontext is het moeilijk om sociale status te bepalen, al kunnen grafvormen en resten van tuffstenen kisten daar mogelijk op wijzen.
Benthe onderstreept de noodzaak van verder osteoarcheologisch onderzoek op de Waddeneilanden, waar veel skeletmateriaal nog onbestudeerd ligt. Ook pleit ze voor meer publieksarcheologie, zoals het CARE-Schylge-project, dat de lokale betrokkenheid vergroot. Haar onderzoek helpt niet alleen om het verleden van de eilandbewoners beter te begrijpen, maar biedt ook kansen voor toekomstig onderzoek naar erfgoed, gezondheid en sociale structuren op Terschelling.
Blijf op de hoogte van het laatste nieuws en de activiteiten.